Er zijn ontelbare theorieen over en definities van hoogbegaafdheid. In Nederland wordt hoogbegaafdheid meestal beschreven aan de hand van het meerfactoren-model van Mönks.
Het model van Mönks hanteert het triadisch model van Renzulli als basis. Renzulli gaat ervan uit dat een hoogbegaafde leerling moet beschikken over de volgende persoonlijkheidskenmerken:
Mönks onderscheidt in zijn model naast deze drie aanlegfactoren nog een drietal omgevingsfactoren die van invloed zijn op het tot uiting komen van hoogbegaafdheid. Deze factoren hebben betrekking op de invloed gezin, school en vrienden (de omgeving) op de ontwikkeling van hoogbegaafd gedrag.
Heller en Hany gaan verder in het onderscheiden van kenmerken en factoren die van invloed zijn op het tot uiting komen van hoogbegaafdheid. Evenals in het model van Mönks zijn ook hier omgevingsfactoren medebepalend voor het uiteindelijke niveau waarop de hoogbegaafdheid tot uiting komt. Daarnaast zijn volgens Heller en Hany ook niet-cognitieve factoren medebepalend voor het uiteindelijke niveau en terrein waarop de hoogbegaafdheid tot uiting komt. Zo zal bijvoorbeeld een leerling met bovengemiddelde intellectuele vaardigheden, die faalangstig is, minder goed presteren dan een leerling met dezelfde intellectuele mogelijkheden, die niet faalangstig is.
Een theorie die de laatste tijd erg in de belangstelling staat is de theorie van meervoudige intelligentie van Howard Gardner. Volgens Howard Gardner beschikken alle mensen over een van de onderstaande kwaliteiten of competenties - sommigen zelfs over meerdere. Het zijn deze kwaliteiten of "vormen van intelligentie" zoals Gardner ze noemt, waarmee de kennis en vaardigheden van mensen getypeerd kunnen worden. Van belang is ook dat duidelijk gemaakt kan worden wat mensen willen en kunnen leren. Men dient namelijk onderscheid te maken tussen "intelligenties", die mensen willen en kunnen ontwikkelen en andere, die nauwelijks of veel minder "geleerd" of ontwikkeld kunnen worden. Intelligentie heeft, volgens Gardner, vooral betrekking op de bekwaamheid om problemen op te lossen, vragen op te roepen, iets te vervaardigen (bouwsel, schrijfsel, contact, product), in een gewone en betekenisvolle omgeving.